Lêdo Ivo


Soneto à Pátria


Sonnet aan mijn land



Nesta noite em Toronto junto ao lago gelado que o grasnido dos gansos não ousa estremecer minha pátria ofendida surge na escuridão e vem ao meu encontro com o seu sol e andrajos. Ao seu redor estão os goiamuns que moram no chão mudo dos mangues, o sinal semafórico que ao lado da guardamoria freme na maresia e os mendigos que esperam a morte sob os viadutos. Caminhando na neve nesta noite estrangeira, entre as sílabas negras dos frígidos pinheiros, murmuro no vento o teu nome desmatelado. ó pátria desamada, ó rameira insultada, quanto mais longe estás, teu espinho distante mais dói na minha mão inútil e gelada.
Op deze avond in Toronto dicht bij het bevroren meer dat het gegak der ganzen niet durft te doen beven verschijnt mij uit het duister mijn verwonde land en het komt tot mij met zijn zon en met zijn lompen. Rondom bevinden zich de strandkrabben die wonen in de stille grond der slikken, het verkeerslicht dat ter zijde van het tolhuis flikkert in de zeelucht en de bedelaars die onder bruggen wachten op de dood. Wandelend door de sneeuw in deze buitenlandse nacht, tussen de zwarte lettergrepen van de kille sparren, fluister ik in de wind je verfomfaaide naam. O gekleineerde hoer, mijn onbeminde land, hoe verder weg je bent, hoe meer je verre stekel schrijnt in mijn onnutte en verkilde hand.


* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *